 |
|
LANDELIJK ALGEMENE VERGADERING |
Bijlage F
BAL 5 VOOR PUPILLEN VANAF 2005-2006
De fysieke paraatheid van het kind wordt bepaald door 3 parameters:
- Snelheid
- Kracht
- Uithouding
Elke competitiesport die zich richt naar het kind moet dan ook rekening
houden met deze parameters in het opstellen van spelregels, organiseren van
trainingen en gebruik van materieel.
In een nabij verleden werden door de VBL de spelregels aangepast aan de
groeifasen van het kind en dit tot algemene voldoening. Zowel spelduur als
vervangingen zijn nu bepaald en spelen in op de conditionele geaardheid van deze
leeftijdgroep.
Verschillende werkjes en clinics over spelvormen voor deze kinderen geven de
trainers aangepaste oefenstof. Toch is het nog nodig om een aangepaste module in
de cursussen voor C-trainer (Initiator/Jeugdsportbegeleider) in te schakelen om
specifiek het mini-basket te begeleiden.
Ook het materieel, zoals ballen en ringen zijn aangepast aan het jonge kind
onder de 12 jaar: bal 5 en ring op 2m60.
Vanaf de pupillen echter maken we dan plotseling de volledige overstap naar het
volwassen basketbal: ring op 3m05 en bal 7 (jongens), bal 6 (meisjes). We houden
nu geen rekening meer met de fysieke parameter “kracht”.
Om de noodzakelijke technieken aan te leren met een zware bal en een hoge ring
is kracht nodig en dat bezit het kind onvoldoende op die leeftijd. We weten
nochtans dat, op deze gouden leeftijd, alle basistechnieken moeten aangeleerd
worden en dus ook gekend moeten zijn. Anders blijven we steeds achterop huppelen
in de fundamentele vorming. Indien we de natuurlijke krachtontwikkeling van deze
jongens en meisjes analyseren, dan stellen we vast dat deze krachtontwikkeling
verschillend verloopt maar vooral dat alleen de basiskracht aanwezig is op deze
leeftijd. Pas tijdens de puberteit gaat die kracht zich verder ontplooien. (zie
bijlage)
Kortom: de kracht is onvoldoende ontwikkeld om op een correcte manier technieken
te trainen met een zware bal.
Op deze leeftijd zien we dan ook een grote differentiatie: vroegrijpe en
laatrijpe. Trainers maken hiervan gebruik om deze kinderen functiegebonden op te
leiden, wat hun latere ontwikkeling negatief beïnvloedt. Pas tegen het einde van
de puberteit bereiken ze hun volgroeiing en wordt deze differentiatie opgeheven.
Het zou dan ook verstandig zijn hen polyvalent te blijven opleiden op deze
pupillen leeftijd, hun technieken optimaal te ontwikkelen, onafhankelijk van hun
“rijpheid” . Dit kan maar door hen daarvoor het aangepaste materiaal aan te
bieden: een bal nr 5 en een stap voorwaarts: de hoge ringen (3.05m).
Deze reglementering wordt in de AWBB en in de andere Europese landen toegepast
in functie van de ontwikkeling van het kind. Daar er geen praktische bezwaren
kunnen zijn bij de VBL en we het kind centraal stellen in onze basketbalvorming,
zou deze aanpassing naadloos moeten kunnen verlopen.
Tony Souveryns , STC van de VBL
|